Pieter Jacobus de Koster werd geboren op 11 juni 1909 in Breskens. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde hij met zijn vrouw Adriana Nieuwkerk in Fijnaart. Hij werkte als binnenschipper en vervoerde onder andere suiker door Nederland. In de oorlogsjaren kwam hij echter voor een moeilijke keuze te staan: samenwerken met de Duitse bezetter of weerstand bieden.
De Koster koos voor verzet. Hij weigerde om voor de Duitsers te varen en ging zelfs zo ver dat hij zijn eigen schip saboteerde om transporten onmogelijk te maken. Dat was levensgevaarlijk. De Duitsers hielden streng toezicht op de binnenvaart, omdat schepen belangrijk waren voor de aanvoer van goederen en materiaal.
Onder gewapende bewaking werd hij uiteindelijk toch gedwongen uit te varen. Maar Pieter gaf niet op. Op een gegeven moment wist hij met een gekaapt schip te ontsnappen. Zijn vrijheid duurde echter niet lang. Hij werd gevangengenomen en opgesloten.
Op 22 december 1944 werd Pieter Jacobus de Koster samen met acht andere mannen gefusilleerd op de schietbaan aan de Kralingseweg in Rotterdam. De executie was een represaillemaatregel van de Duitsers na een aanslag op een agent van de Sicherheitsdienst (SD). Hij werd slechts 35 jaar oud.
Na de oorlog kreeg hij een eregraf op het Nationaal Ereveld Loenen, waar Nederlandse oorlogsslachtoffers worden herdacht. Zijn verhaal staat symbool voor de moed van gewone burgers die tijdens de oorlog weigerden zich neer te leggen bij onderdrukking.